Mei 2026

Editie 05 — Onafhankelijk dossierjournaal

De staat van de Nederlandse genderzorg — beleid, klinieken, cijfers, dossiers.

Bijna twee derde van de Nederlanders vindt dat Nederland terughoudender moet worden met puberteitsblokkers en hormonen voor minderjarigen met genderdysforie. Dat blijkt uit een representatieve peiling die onderzoeksbureau Peil.nl eind juli en begin augustus 2026 hield onder 4.179 respondenten. De peiling volgde op een opiniestuk van Pieter Omtzigt en anderen dat op 25 juni 2026 in Trouw verscheen en waarin zij aandrongen op meer voorzichtigheid in de Nederlandse genderzorg voor kinderen.

Wat de Nederlander denkt over voorspelbaarheid

Peil.nl legde de deelnemers zes vragen voor. Op de vraag of artsen kunnen voorspellen of een genderwens blijvend is, antwoordde 19 procent volmondig ja, 23 procent "soms" en 30 procent nee; 17 procent vindt de vraag niet relevant omdat je volgens hen sowieso niet echt van geslacht kunt veranderen, en 11 procent weet het niet. Over wat er moet gebeuren als een kind met genderdysforie ook andere problemen heeft, is de uitkomst eenduidiger: 75 procent kiest voor psychologische behandeling, tegenover slechts 5 procent die puberteitsblokkers als eerste stap ziet.

Voorzichtigheid weegt zwaarder dan wachttijd

Bij onzekere wetenschappelijke bewijskracht moet volgens 35 procent het voorkomen van te vroege onomkeerbare behandeling het zwaarst wegen, tegenover 24 procent die het voorkomen van lange wachttijden belangrijker vindt en 28 procent die vooral wil dat een kind zijn lichaam leert accepteren. Over het lichamelijke effect van blokkers, hormonen en operaties is 44 procent stellig: die kunnen het geslacht niet werkelijk veranderen, tegenover 26 procent die vindt dat het lichaam wel het gewenste uiterlijk kan krijgen. Over de rol van ouders is de uitkomst verdeeld maar duidelijk: 47 procent vindt dat ouders instemming mogen weigeren, 32 procent legt de beslissing bij het kind vanaf 16 jaar en 8 procent al vanaf 12 jaar.

Twee derde wil aansluiten bij Engeland, Zweden en Finland

De kernvraag van de peiling — of Nederland net als Engeland, Zweden en Finland terughoudender moet worden met puberteitsblokkers en hormonen — beantwoordde 65 procent met ja, tegenover 17 procent nee en 18 procent "weet niet". Uit de onderliggende cijfers blijkt dat opleiding en leeftijd het antwoord sterk kleuren: lager opgeleiden en oudere respondenten kiezen vaker voor terughoudendheid, terwijl de politieke voorkeur eveneens een scherpe scheidslijn oplevert tussen conservatief-rechtse en progressieve kiezers.

Wat dit betekent voor het Nederlandse debat

De peiling zegt niets over wat wetenschappelijk correct is, maar wel iets over het draagvlak voor het huidige Nederlandse beleid. Terwijl de Gezondheidsraad eind juni 2026 concludeerde dat er geen aanleiding is om de bestaande aanpak fundamenteel te wijzigen, vindt een ruime meerderheid van de bevolking dat Nederland juist voorzichtiger moet worden — in lijn met landen die dat stap al eerder zetten. Die kloof tussen beleid en publieke opinie voedt de roep om meer transparantie over wat er wel en niet bekend is over de langetermijneffecten van puberteitsblokkers en hormonen bij kinderen.

Nienke Vogelaar

Nienke Vogelaar

Redactie

Veelgestelde vragen

Hoeveel Nederlanders deden mee aan deze peiling?

Peil.nl ondervroeg 4.179 respondenten, een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking, eind juli en begin augustus 2026.

Wat vindt de meerderheid van puberteitsblokkers als eerste reactie op problemen bij een kind?

Bij een kind met genderdysforie dat ook andere problemen heeft, kiest 75 procent voor psychologische behandeling als eerste stap; slechts 5 procent kiest puberteitsblokkers.

Wil de meerderheid van de Nederlanders dat Nederland terughoudender wordt, zoals Engeland, Zweden en Finland?

Ja: 65 procent vindt dat Nederland terughoudender moet worden met puberteitsblokkers en hormonen voor minderjarigen, tegenover 17 procent die dat niet vindt.