Europees recht: wat EHRM en EU-Hof eisen, en wat ze openlaten
Twee Europese hoven bepalen de buitenste grenzen van het Nederlandse transbeleid. Hun jurisprudentie is veelbesproken en regelmatig verkeerd geciteerd.
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft sinds Christine Goodwin v. UK (2002) gestadig erkend dat een staat verplicht is om geslachtsregistratie te kunnen wijzigen voor wie een transitie heeft ondergaan. In A.P., Garçon en Nicot v. Frankrijk (2017) verbood het Hof sterilisatie of vergelijkbare lichaamsingrijpende voorwaarden. In X. en Y. v. Roemenië (2021) verbood het Hof dat lidstaten gerechtelijke procedures verplicht stellen voor erkenning van geslachtswijziging.
Wat het EHRM níet eist
Het EHRM heeft niet vastgesteld dat staten zelfidentificatie zonder enige beoordeling moeten toestaan. Het Hof laat de "modus" van erkenning expliciet aan lidstaten, mits er een toegankelijke procedure bestaat. Het Hof heeft evenmin geoordeeld dat staten verplicht zijn medische geslachtswijziging vanaf een bepaalde leeftijd te leveren of vergoeden — dat blijft binnen de margin of appreciation.
EU-Hof: Mirin en Bogdan
Op 4 oktober 2024 oordeelde het EU-Hof in zaak C-4/23 (Mirin) dat een EU-burger die in lidstaat A juridisch het geslacht heeft gewijzigd, dat in lidstaat B erkend moet zien op grond van het vrij verkeer en de eerbiediging van het privéleven. Het arrest raakt vooral de erkenning van buitenlandse wijzigingen in de Nederlandse Basisregistratie Personen.
Eerder, in Bogdan-Vajda (C-621/18, 2020), had het Hof bepaald dat lidstaten in het sociale zekerheidsrecht "feitelijke gender" niet ondergeschikt mogen maken aan "papieren geslacht", maar de manier waarop pensioenleeftijden samenhangen met geslacht is door datzelfde arrest niet onderuit gehaald. Lidstaten houden een beleidsmarge bij sociale zekerheid.
Wat speelt nu
In 2025-2026 lopen voor het EHRM minstens drie prejudiciële procedures over toegang tot puberteitsremmers voor minderjarigen (S.B. v. Finland, M.K. v. Hongarije, T. v. Tsjechië). Het Hof heeft in maart 2026 in een ontvankelijkheidsbeslissing aangegeven dat lidstaten ruime beleidsmarge houden bij medische trajecten voor minderjarigen — een formulering die in lijn ligt met de wending in Engeland en Zweden. Zie ook de internationale koers en NL.
Bron: HUDOC — EHRM, zaak Mirin C-4/23 (EU-Hof), Kamerbrief Justitie 36456-XX (januari 2026).